Vrijdag 31 januari 1919 / Donderdag 31 januari 2019; 100 jaar Lindenbaum/Cohen. 100 jaar een icoon

Vrijdag 31 januari 1919 / Donderdag 31 januari 2019; 100 jaar Lindenbaum/Cohen. 100 jaar een icoon

Als je met wiskundige nauwkeurigheid de uitslag van een rechtszaak kon voorspellen, dan zouden er geen rechtszaken meer zijn.

Als je, alleen door de wet te lezen, zou kunnen weten wat de rechter gaat uitspreken in een concrete zaak, dan is die rechter voor de zaak ook eigenlijk niet meer nodig. Dan zou de rechter als het ware door een stempelmachine vervangen kunnen worden. Je gooit ‘de zaak’ (dat wil zeggen: de feiten over het geschil) erin en zie: daar is de uitspraak!

Het punt is: “het recht” is helemaal niet alleen maar: “de wet”. “De wet” kan nooit “alles” beschrijven waar die wet voor bedoeld is. Daarom staat de wet vol normen die uitgelegd moeten worden. Achteraf, door een rechter. En tevoren, door een advocaat.

De uitslag van een zaak laat zich dus niet zo makkelijk voorspellen. Het is mensenwerk. Dat is, voor wie aan zijn advocaat vraagt ‘hoeveel procent kans hij heeft’ wel een beetje moeilijk te aanvaarden.

Hooguit kun je, met de kennis van normen en wetten die er zijn, zeggen wat een slimme aanpak is. Maar daar houdt het wel ongeveer op – de rest is avontuur…

Vroeger – om precies te zijn: tot 100 jaar geleden – zag men dit anders.

Toen vond men dat al het recht ‘in de wet’ teruggevonden kon worden. Stond iets niet in de wet, dan was je er ook niet toe verplicht. Je kon dus, zogezegd, in de wet lezen wat de rechter zou gaan zeggen.

Een paar leuke voorbeelden

Verplaats u naar: de stad Zutphen, de nacht van 4 op 5 januari 1910. 

Buiten is het bitterkoud. Binnen, in een pand aan de pittoreske Zaadmarkt (centrum Zutphen) ligt mevrouw De Vries in bed. Aan de voordeur staat meneer Nijhof. Hij bonkt op de deur en roept luid: “Doe open, doe open!”.

Wat is hier aan de hand?

Door de vorst is de waterleiding in het pand gesprongen. De kostbare voorraad leer, eigendom van Nijhof en opgeslagen in het pakhuis onder het appartement van mevrouw De Vries, wordt natgespoten. Dat kan alleen nog voorkomen worden als mevrouw De Vries de kraan, die in haar appartement zit, dichtdraait.

Dat doet zij echter niet: ondanks ‘scheldwoorden en politie’ (het verhaal vertelt niet of een serenade met een gitaar een beter resultaat gehad zou hebben) steekt zij haar hoofd uit het raam met de woorden: “Daar heb ik nou helemaal geen zin in”. De volgende ochtend is de voorraad leer geruïneerd.

Dit gedrag is Nijhof te gortig. Hij brengt de zaak voor de rechter. Eis: schadevergoeding, door mevrouw de Vries te betalen.

Uitspraak: eis afgewezen. Reden: nergens staat in de wet dat men in een geval als dit uit bed moet komen om de kraan dicht te draaien.

Die uitspraak was voorspelbaar, want inderdaad: nergens staat dat je in een geval als dit uit bed moet komen om de kraan dicht te draaien. En zó dacht men in die tijd: ‘het recht staat immers in de wet’, en dat was dan dat…

Ander geval:

Amsterdam, een paar jaar later. Lindenbaum heeft een drukkerij (Haarlemmerstraat, het bedrijf is er nog – ga maar kijken..). Die drukkerij draait lekker.

Cohen heeft een concurrerende drukkerij. En Cohen kan wel wat extra klandizie gebruiken.

Dat gaat niet zo gemakkelijk. Maar het zou helpen als Cohen wist wie de klanten van Lindenbaum zijn en welke prijzen Lindenbaum hen rekent. Dan kan Cohen hen benaderen met betere prijzen. Om op creatieve wijze aan die informatie te komen, besluit Cohen een werknemer van Lindenbaum wat extra inkomsten te beloven – als die werknemer hem voorziet van de gevraagde gegevens.

Dat heet uitlokking van bedrijfsspionage. Is toch niet verboden?

Lindenbaum ontdekt dit sinister spel en spant een zaak tegen Cohen aan. Eis: verbod en schadevergoeding.

Cohen’s advocaat voorspelt hem een gewonnen zaak. Net als bij de Zutphense waterleiding. Want: nergens staat dat het verboden is de werknemer van een concurrent om te kopen.

En, inderdaad: weliswaar gaat het bij de rechtbank voor Cohen eerst verkeerd – maar het gerechtshof Amsterdam is streng in de leer: Cohen heeft de wet niet overtreden en gaat dus vrijuit. Geen schadevergoeding voor Lindenbaum.

Lindenbaum’s advocaat is van de vasthoudende soort en gaat – misschien tegen beter weten in – naar de Hoge Raad. Vernietigen graag, die uitspraak van het hof. Want dit is stinkend onrecht. Puur tegen de ‘heersende leer’ in, maar wie weet…

En de Hoge Raad?

Die maakt, op een toon alsof het nog nooit anders is geweest, korte metten met de uitspraak van het Hof Amsterdam.

Want: een ‘onrechtmatige daad’ is niet alleen een overtreding van dat wat in de wet staat, maar óók een ‘handelen of nalaten, in strijd met de zorgvuldigheid welke in het maatschappelijk verkeer jegens eens anders persoon of goed betamelijk is’.

Zo klinkt het op vrijdag 19 januari 1919 in de statige zalen van het gebouw van de Hoge Raad aan het Plein in Den Haag.

In gewoon Nederlands: als je je niet netjes gedraagt, kun je tot schadevergoeding veroordeeld worden.

Een iconische uitspraak. Want vanaf nu staat de deur open. Schadeaanspraken kunnen worden ingesteld voor doen of laten wat weliswaar niet in strijd is met de letterlijke tekst van de wet, maar wél afwijkt van de “maatschappelijk betamende zorgvuldigheid”. De ‘vage norm’ doet zijn intrede.

‘Maatschappelijk betamende zorgvuldigheid…’. Wat wordt daar onder verstaan?

Heel veel rechtspraak is hierover sinds “Lindenbaum/Cohen” verschenen. Het ‘gezond verstand’ is de gids. Maar de voorspelbaarheid is er niet op vooruit gegaan.

En meer nog: overal in de wet duiken zulke vage normen op. Schuldeiser en schuldenaar moeten zich gedragen overeenkomstig eisen van goede trouw (tegenwoordig: ‘redelijkheid en billijkheid’). Artikel 6:2 BW.

Die eisen kunnen, zo leert de Hoge Raad in een veel latere uitspraak (Saladin/HBU), zelfs contractsbepalingen opzij zetten.

En: de personen die bij de organisatie van rechtspersonen zijn betrokken, moeten zich gedragen overeenkomstig ‘redelijkheid en billijkheid’ (artikel 2:8 lid 1 BW). Ook hier kunnen geschreven regels opzij gezet worden door die eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 lid 2 BW).

Enzovoorts.

Bleef op vrijdag 31 januari 1919 de letterlijke tekst van de wet helemaal ongewijzigd, de inhoud ervan veranderde radicaal. Door uitleg van de rechter. Door gezond verstand.

Maar het gezond verstand van de één voorspelt soms toch heel wat anders dan het gezond verstand van de ander.

En zo blijven er maar procedures komen…

Donderdag 31 januari 2019,
Mr. J.H. (Jaap) van der Meulen

ADVOCATENKANTOOR ALDERSE BAAS

Wij zijn er om jou te helpen!

Door deze website te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten