Nieuws en Blogs

11-01-2018

Wordt u bij het uitvoeren van werkzaamheden wel eens geholpen door vrijwilligers?

Indien u weleens gebruik maakt van vrijwilligers bij het uitvoeren van bedrijfs- of ondernemingsactiviteiten, dient u zich er bewust van te zijn dat u verantwoordelijk bent voor de veiligheid van deze vrijwilligers. Dit volgt uit een arrest dat de Hoge Raad onlangs wees.

In de wet is opgenomen dat een werkgever verplicht is dusdanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Met andere woorden: u moet er redelijkerwijs alles aan gedaan hebben om te voorkomen dat een medewerker een bedrijfsongeval overkomt.

Alhoewel in dit wetsartikel wordt gesproken over werknemer en werkgever, heeft de Hoge Raad nu bepaald dat het artikel ook van toepassing is op een persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht indien deze persoon afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht ten aanzien van zijn veiligheid. Onder deze bepaling zouden dus ook vrijwilligers kunnen vallen. Of dit het geval is, zal aan de hand van omstandigheden van het geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zal zijn:

  • de feitelijke verhouding tussen de vrijwilliger en de aard van de verrichte werkzaamheden.

Bijvoorbeeld: indien de vrijwilliger wordt gevraagd op het dak te klimmen om dakpannen recht te leggen dan zal ‘de werkgever’ eerder aansprakelijk zijn dan wanneer de vrijwilliger wordt gevraagd een brief op de brievenbus te doen waarbij hij schade oploopt omdat hij struikelt over een loslopende hond bij de brievenbus;

  • de mate waarin ‘de werkgever’ (al dan niet door middel van hulppersonen) invloed heeft op de werkomstandigheden van de vrijwilliger en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.

Bijvoorbeeld: als de vrijwilliger iets ophaalt voor ‘de werkgever’ op een bouwplaats van een derde en de vrijwilliger wordt aangereden door een kraan, dan heeft ‘de werkgever’ geen invloed gehad op de werkomstandigheden op die bouwplaats en zal hij in beginsel niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het letsel van de vrijwilliger. Dit zou anders liggen indien het een bouwplaats van ‘de werkgever’ zelf zou betreffen.

Indien u vrijwilligers werkzaamheden laat uitvoeren, vergewis u er dan van dat u voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft gegeven om eventuele veiligheidsrisico’s te ondervangen. Het heeft de voorkeur om vrijwilligers qua voorzorgsmaatregelen gelijk te stellen met de ‘gewone’ medewerkers.

N.N. (Nathalie) Boonstra.

+
17-12-2017

Wettelijke indexering kinder- en partneralimentatie per januari 2018

Ook komend jaar dienen alimentatiegerechtigden en alimentatieplichtigen weer rekening te houden met de wettelijke indexering van zowel de kinder-als partneralimentatie.

Per 1 januari 2018 bedraagt het indexeringspercentage 1,5%. Dit betekent dat alle alimentatiebedragen moeten worden verhoogd met 1,5%, tenzij u bij overeenkomst de indexering heeft uitgesloten of in een rechterlijke uitspraak de rechter heeft bepaald dat de indexering is uitgesloten.

De alimentatie moet voor de eerste van iedere maand betaald worden, zodat u in december 2017 bij de betalingen voor januari 2018 al rekening moet houden met het indexeringspercentage. Op deze manier voorkomt u dat er achterstanden ontstaan.

Beperkte gemeenschap van goederen

 Per 1 januari 2018 treedt de Wet invoering beperkte gemeenschap van goederen in werking. In een aantal eerdere blogs is over de gevolgen van de wet al het nodige gezegd. Deze blogs kunt u terug vinden op deze website.

Wetsvoorstel herziening partneralimentatie

 Regelmatig krijg ik vragen van cliënten over partneralimentatie. Een van de vragen die veel wordt gesteld is wanneer de wet de termijn voor het betalen van partneralimentatie verkort.

In 2015 is een wetsvoorstel ingediend voor de herziening van de partneralimentatie. Het voorstel heeft een tijd stilgelegen. Op 14 maart 2017 is een nota van wijziging ingediend bij de Tweede Kamer.  In het wetsvoorstel is de grondslag voor de partneralimentatie niet gewijzigd

Een aantal voorgestelde wijzigingen op een rij.

In het wetsvoorstel wordt de duur van de partneralimentatie gewijzigd. Nu is de duur van de partneralimenatie nog 12 jaar, maar in het voorstel is zou de partneralimentatie van rechtswege eindigen na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren.

Indien het huwelijk echter langer duurt dan vijftien jaren en op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding de leeftijd van de echtgenoot die recht heeft op partneralimentatie, ten

hoogste tien jaren lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd dan eindigt de verplichting tot partneralimentatie niet eerder dan op het tijdstip, waarop die echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Ook wordt rekening gehouden in het voorstel met kinderen. De verplichting tot betaling van partneralimentatie zal ook niet eerder eindigen dan op het tijdstip waarop de kinderen van de echtgenoten de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

Maar ook met de ouderen is verder rekening gehouden, want ook eindigt in het voorstel de verplichting tot betaling van partneralimentatie van rechtswege op het tijdstip waarop de alimentatieplichtige echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Een veel voorkomende situatie is dat de alimentatiegerechtigde een nieuwe partner krijgt. In sommige gevallen gaat de alimentatiegerechtigde samenwonen en vervalt de partneralimentatie. In veel gevallen gaat de alimentatiegerechtigde niet samenwonen, omdat deze niet wil dat de partneralimentatie vervalt. Ook zijn er hierdoor veel discussies of er sprake is van een samenwoning als ware gehuwd.

In convenanten wordt door echtgenoten ook wel opgenomen dat bij samenwoning van de alimentatiegerechtigde met een nieuwe partner, niet gelijk definief de partneralimentatie zal vervallen. Er wordt een soort proefperiode opgenomen. Mocht de samenwoning namelijk binnen een bepaalde (overeengekomen) termijn eindigen, dan herleeft de verplichting tot betaling van de partneralimentatie.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat de verplichting tot partneralimentatie zal herleven, als de alimentatiegerechtigde voor de aanvang van de samenwoning met een nieuwe partner, de alimentatieplichtige schriftelijk in kennis stelt van het voornemen om te gaan samenwonen met een nieuwe partner en tegelijk mededeeld wanneer de samenwoning zal beginnen, en de samenwoning binnen een periode van zes maanden eindigt.

Wellicht dat de alimentatiegerechtigde eerder de stap durft te nemen om met een nieuwe partner te gaan samenwonen.

Verder is voorgesteld om de berekening van de partneralimentatie te gaan vereenvoudigen.

Zoals gezegd is dit nog een wetsvoorstel. Of het wetsvoorstel zal worden aangenomen of dat er nog meer wijzigingen komen, is onduidelijk. Voor nu zullen we dan ook de huidige wettelijke regels moeten blijven toepassen!

Mr. E.J. (Esther) Jongsma

Esther Jongsma

 

+
12-12-2017

Oppassen bij doorstart

Het onderwerp ‘faillissement’ raakt een beetje uit de mode de laatste tijd. De crisis is over, ondernemers kijken weer optimistisch vooruit – en gelijk hebben ze!

Tegelijk gebeuren er in de praktijk van faillissementen dingen die een heel zwaar stempel zetten. Het is niet verkeerd om daar, ook in tijden van economische voorspoed, even aandacht voor te hebben. Ik bedoel het volgende.

Wij kennen sinds het begin van de tachtiger jaren het uitgangspunt dat, wie een onderneming overneemt, daar onvermijdelijk ook alle werknemers bijgeleverd krijgt. Dat staat duidelijk in de wet en even duidelijk staat er dat die regel niet geldt als die onderneming in staat van faillissement is verklaard. Even onthouden: 7:766 BW.

Deze regels vormen de aanleiding tot de praktijk van de ‘doorstart in faillissement’. Die praktijk houdt in dat de faillissementscurator alle personeelsleden ontslaat, de onderneming aan een gegadigde verkoopt en dat die gegadigde naar believen personeel uit het voormalig bestand een baan kan aanbieden. Het resultaat is: voortzetting van de onderneming in afgeslankte vorm, althans (in ieder geval) met een lichtere personele bezetting.

Dat kan omdat de werknemers in faillissement vrijwel rechteloos zijn. Heel zuur voor hen. En nog zuurder wordt het als zo’n faillissement is voorgekookt in wat wel de ‘pre-pack’ genoemd wordt. Dat is het faillissement waarin, voorafgaand, alvast een ‘beoogd curator’ aan tafel zit ter voorbereiding van de verkoop – die dan direct na de faillietverklaring plaatsvindt.

Het doel van die pre-pack is het creëren van snelheid. Zo gauw mogelijk na de uitspraak moet de verkoop aan de nieuwe ondernemer een feit zijn. Het belang daarvan is dat als het faillissement eenmaal is uitgesproken, de tijd in het nadeel van de onderneming werkt. Alle betrokkenen keren de failliete onderneming de rug toe: niemand wil meer leveren, debiteuren betalen niet meer, de waarde van de eigendommen keldert – allemaal argumenten om de periode van onzekerheid zo kort mogelijk te houden. Liefst – zoals de pre-pack mogelijk maakt – niet langer dan één dag.

De pre-pack is een betrekkelijk nieuw en wettelijk niet-geregeld verschijnsel. Men is verdeeld over de toelaatbaarheid ervan; opmerkelijk is bijvoorbeeld dat niet iedere rechtbank (zoals de rechtbank Overijssel) er aan meewerkt, terwijl andere rechtbanken (zoals rechtbank Rotterdam) een uitgewerkte beleidslijn voor de pre-pack heeft klaarliggen.

De vraag is ontstaan of in zo’n ‘gepre-packt’ faillissement de regel dat de overnemer de onderneming zonder personeel kan verkrijgen ook toepasselijk is.

Die vraag is voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Dat hof heeft er iets over te zeggen, nu we het hier in feite over ‘Brussels recht’ hebben: zowel de regel dat personeel bij overdracht van de onderneming ‘mee overgaat’, als de regel dat dit bij faillissement niet geldt, is gebaseerd op een richtlijn van de Europese Unie.

De vraag was naar voren gekomen in de zaak van de doorstart van het kinderopvangbedrijf Estro. Die zaak speelde in het jaar 2014. Er was een doorstart waarbij, voorafgaand aan het faillissement, een beoogd curator was aangewezen. Een pre-pack dus. Die aanwijzing had plaatsgevonden op 20 juni 2014. Na die dag werd de overdracht voorbereid van het merendeel van de door Estro beheerde kinderdagverblijven. Op 5 juli 2014 volgde faillissement. Op diezelfde dag tekende de curator een koopovereenkomst waarbij 250 van de 380 vestigingen werden overgedragen aan een gelieerde partij, Small Steps geheten. Small Steps bood 2.600 van de 3.800 ontslagen personeelsleden een nieuwe baan.

Staan die overige 1.200 personeelsleden dan in de kou? Nee, vond het Hof van Justitie. Volgens het hof is de richtlijn op deze situatie niet toepasselijk.

Waarom niet? Omdat, zo zegt het hof, ‘een dergelijke transactie’ niet de ‘liquidatie van de onderneming’, maar ‘het behoud van de onderneming’ beoogt. En daarom valt deze transactie niet onder de Europese regel, op grond waarvan in de Nederlandse wet artikel 7:766 is opgenomen.

Exit pre-pack. Dat is nogal wat, temeer omdat de Nederlandse wetgever ook nogal ‘in de weer’ is geweest om die pre-pack wettelijk te regelen. Een wetsontwerp was gevorderd tot de Eerste Kamer, maar staat nu in de ijskast.

Dat is tot daaraantoe, maar wat is nu de toekomst voor de ‘gewone doorstart’? Daarmee bedoel ik: de doorstart die niet onder het toeziend oog van een toekomstig curator is voorbereid. De doorstart dus die tot stand komt tijdens de hectiek van (de eerste weken van) een faillissement.

Die doorstart is immers sinds jaar en dag ‘staande praktijk’ en vervult een verdedigbaar doel. Namelijk: een tweede leven voor een op zichzelf levensvatbare onderneming.

Het antwoord is dat die praktijk riskant geworden is. Riskant voor de ondernemer! De uitspraak van het hof geeft geen duidelijke scheidslijn tussen een ‘pre-pack faillissement’ en een ‘gewoon faillissement’. Als ‘de transactie’ niet ‘de liquidatie van de onderneming’ beoogt, dan gaat de werknemersbescherming voor. Zo lijkt het nu te zijn.

Het is nodig dat het hof snel verder duidelijkheid geeft – in een zaak over een ‘gewone doorstart’. Zolang die verdere duidelijkheid er niet is, moet er oplettend en met veel verstand van zaken geopereerd worden.

Wordt vervolgd!

J.H. (Jaap) van der Meulen.

+
04-12-2017

Het verijdelen van een executoriale verkoop

Van executoriale verkoop naar splitsing in appartementsrechten

De economische crisis is grotendeels voorbij en dat resulteert in een vermindering van het aantal faillissementen. Toch komt het nu ook nog voor dat ondernemers de eindjes financieel niet meer aan elkaar kunnen knopen.

Onlangs hebben heeft Alderse Baas Advocaten het voortouw genomen bij het verijdelen van een executoriale verkoop. Met medewerking van verscheidene partijen kon een voorgenomen executoriale verkoop omgebogen worden naar splitsing van het bedrijfspand in appartementsrechten.

Door het bedrijfspand te splitsen in appartementsrechten kon de cliëntondernemer zijn onderneming voortzetten en werden de openstaande rekeningen voldaan uit de opbrengst van de verkochte appartementen.

Executoriale verkoop

In de onderhavige zaak werd Alderse Baas Advocaten benaderd door een ondernemer die een executoriale verkoop van zijn bedrijfspand boven het hoofd hing. De achterstallige hypotheekrente was in de loop van de tijd dusdanig hoog opgelopen, dat de bank besloten had gebruik te maken van haar recht van hypotheek en het besluit had genomen over te gaan tot executoriale verkoop van het bedrijfspand.

Bij een voorgenomen executoriale verkoop wordt allereerst onderzocht of de bank wel aan haar zorgplicht heeft voldaan. Een executoriale verkoop levert doorgaans een zeer beperkte opbrengst op. Van de bank mag dan ook uiterste zorgvuldigheid worden vereist. Naast het juridisch onderzoek wordt ook onderzocht of een alternatieve oplossing bereikt kan worden.

Het idee ontstond  het bedrijfspand te splitsen in appartementsrechten. Splitsing van het bedrijfspand in appartementsrechten maakte het mogelijk de appartementen te verkopen en van de opbrengst de openstaande schulden te voldoen.

Een (technisch) tekenaar droeg zorg voor de splitsingstekening. Door een notaris werd vervolgens een splitsingsakte opgesteld. Na de nodige aanpassingen werd de splitsingsakte gepasseerd en werden de appartementen verkocht.

Splitsing in appartementsrechten, goed alternatief?

In beginsel kwam de cliënt/ondernemer bij Alderse Baas Advocaten met de vraag of er juridische argumenten bestonden de executoriale verkoop te verhinderen. In deze casus bleek het- naast het leggen van juridische druk- mogelijk een alternatieve oplossing te bereiken.

Van een advocaat mag verwacht worden dat  verder gekeken wordt dan het (door de cliënt) voorgehouden vraagstuk. Cliënt/ondernemer heeft nu geen openstaande schulden meer, is nog de eigenaar van één van de appartementsrechten en de hypothecaire geldlening is volledig afbetaald.

De uiteindelijke oplossing is tot stand gekomen in goed overleg met de bank.

Aanbeveling

Heeft u problemen met uw bank, schakel dan tijdig een van onze gespecialiseerde advocaten in. Een tijdig overleg kan veel problemen voorkomen.

Mr. J.A.M. (Jan) Bijlholt.

+
28-11-2017

De nieuwe beperkte gemeenschap van goederen

Het heeft enige tijd geduurd, maar per 1 januari 2018 is het zover! Met ingang van 1 januari 2018 zal de beperkte gemeenschap van goederen van toepassing zijn. De nieuwe wet is van toepassing op huwelijken gesloten vanaf 1 januari 2018, waarbij partijen niet voorafgaand aan het huwelijk huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.

Hieronder volgen twee blogs welke Esther Jongsma onlangs schreef over de beperkte gemeenschap van goederen.

Blog de nieuwe beperkte gemeenschap van goederen mei 2016

In Nederland worden jaarlijks circa 65.000 huwelijken gesloten. Het overgrote deel van de mensen trouwt in algehele gemeenschap van goederen. Een klein gedeelte van de mensen gaat voorafgaand aan het huwelijk naar de notaris voor het opstellen van huwelijkse voorwaarden.

Als je als aanstaande echtgenoten niets regelt voor het huwelijk, dan trouwt u automatisch in algehele gemeenschap van goederen. Hierdoor worden de bezittingen en schulden van de echtgenoten op het moment van het sluiten van het huwelijk en verkregen na huwelijk gemeenschappelijk. Uitgezonderd zijn goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij buiten een gemeenschap van goederen blijven.

Als u niet in gemeenschap van goederen wilt trouwen moet u naar de notaris voor het maken van huwelijkse voorwaarden.

De afgelopen jaren is er veel discussie geweest over de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Op 14 juli 2014 is er een initiatiefwetsvoorstel ingediend voor de invoering van een beperkte gemeenschap van goederen.

Op 18 april 2016 is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen. De Eerste Kamer zal zich nu over het wetsvoorstel moeten buigen. De verwachting is dat ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel zal aannemen. De beperkte gemeenschap van goederen zou dan vanaf 1 januari 2017 in de wet worden opgenomen.

De beperkte gemeenschap van goederen zal van toepassing zijn op huwelijken gesloten na 1 januari 2017. Op een algehele gemeenschap van goederen die is ontstaan voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet, blijft de huidige wetgeving van toepassing.

Tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren dan alle goederen die voor het sluiten van het huwelijk al aan de echtgenoten gezamenlijk in eigendom toebehoorden en alle goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap verkregen zijn. Uitgezonderd van de beperkte gemeenschap zijn nog steeds goederen verkregen krachtens erfopvolging of gift. Privé goederen van echtgenoten die er al voor het huwelijk waren, blijven ook na het huwelijk privé.

Ook schulden die voor het ontstaan van de beperkte gemeenschap gemeenschappelijk zijn en schulden betreffende goederen die voor aanvang van de gemeenschap aan echtgenoten gezamenlijk toebehoorden en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden behoren tot de gemeenschap. Privé schulden voor het huwelijk ontstaan, blijven privé schulden.

Door de beperkte gemeenschap van goederen kunnen er drie vermogens zijn tijdens het huwelijk; een gemeenschappelijk vermogen en privé vermogens van de beide echtgenoten.

Bij een echtscheiding zal vervolgens goed moeten worden gekeken naar de verschillende vermogens om tot een goede afwikkeling te komen. Nu de verwachting is dat de beperkte gemeenschap van goederen per 1 januari 2017 in werking treedt, zullen we voor de afwikkeling van de beperkte gemeenschap van goederen in het kader van een echtscheiding de eerste scheidingen van in 2017 gesloten huwelijken moeten afwachten.

Vervolg blog de nieuwe beperkte gemeenschap van goederen

Sinds mijn blog van 12 mei 2016 heb ik gemerkt dat de aankomende wet betreffende de beperkte gemeenschap van goederen leeft mij de veel mensen die op het punt staan om in het huwelijksbootje te stappen. Mensen willen informatie over de financiële gevolgen van hun aanstaande huwelijk.

Op dit moment is de wet beperkte gemeenschap van goederen nog niet in werking getreden. De wet moet nog worden behandeld door de Eerste Kamer. De behandeling in de Eerste Kamer staat gepland voor 7 maart 2017.

Als de wet wordt aangenomen, dan is het afwachten wanneer de wet in werking zal treden. Uiteraard zal ik hier in een blog aandacht aanbesteden.

Zolang de wet beperkte gemeenschap van goederen nog niet in werking is getreden, is de huidige wettelijke regeling, inhoudende een algehele gemeenschap van goederen, van toepassing.  Dit betekent dat als u vóór het sluiten van het huwelijk geen huwelijkse voorwaarden maakt, u op het moment van het sluiten van het huwelijk in algehele gemeenschap van goederen bent getrouwd.

Als u niet in algehele gemeenschap van goederen wenst te trouwen, dan dient u vóór het sluiten van het huwelijk bij de notaris huwelijkse voorwaarden op te laten stellen. In de huwelijkse voorwaarden kunt u regelen welke afspraken er van toepassing zijn betreffende uw vermogen. De notaris kan u over de inhoud van de huwelijkse voorwaarden nader informeren.

Mocht u verder vragen hebben ten aanzien van het Personen- en familierecht, dan kunt u uiteraard altijd even contact met mij of mijn collega, mevrouw mr. C. Niens opnemen.

 

mr. E.J. (Esther) Jongsma

Esther Jongsma

 

+
10-11-2017

Fosfaatreductieplan geldt toch voor alle melkveehouders

De regeling fosfaatreductieplan houdt in dat melkveehouders het aantal melkkoeien die op het bedrijf aanwezig zijn, gelijk moet zijn aan het aantal melkkoeien op de peildatum 2 juli 2015. Indien er meer melkkoeien aanwezig zijn, dient het aantal stapsgewijs te worden teruggebracht naar het aantal melkkoeien dat aanwezig was op de peildatum van 2 juli 2015.

Een aantal veehouders was het met deze regeling niet eens omdat zij van mening waren dat niet te voorzien was geweest dat 2 juli 2015 als peildatum zou gaan gelden en dat zij reeds vóór deze datum grote investeringen had verricht door bijvoorbeeld nieuwe stallen te bouwen om meer vee te kunnen houden. Deze veehouders zitten nu met grote stallen maar kunnen daarin geen vee houden.

In een kort geding procedure hebben verschillende veehouders zich hiertegen verzet. De rechtbank in Den Haag had zich bij vonnis van 4 mei 2017 op het standpunt gesteld dat de regeling niet te voorzien was geweest en dat er geen enkele compensatie was en stelde de regeling buiten werking voor een aantal melkveehouders die fors hadden geïnvesteerd.

De Staat der Nederlanden is echter van dit vonnis in hoger beroep gegaan en het gerechtshof te Den Haag heeft in een arrest van 31 oktober 2017 geoordeeld dat alle melkveehouders zich aan het fosfaatreductieplan moeten houden en dat er geen uitzonderingen zullen zijn voor veehouders die grote investeringen hebben gedaan vlak voor 2 juli 2015.

De verwachting bestaat dat door deze uitspraak Nederland onder het ‘mestplafond’ blijft waardoor Nederland voor de komende jaren waarschijnlijk gebruik mag maken van de derogatie.

Er is nog een groep veehouders met een gelijkluidende vordering als de eerste groep veehouders waarvan de vordering nu is afgewezen, waartegen nog een hoger beroepsprocedure loopt. Het is dus nog even afwachten wat de uitspraak in dat hoger beroep zal zijn. We houden u op de hoogte!

Mr. N.N. (Nathalie) Boonstra.

 

+
30-10-2017

Loon gegarandeerd bij faillissement?

Indien uw werkgever failliet is verklaard en uw loonaanspraken en mogelijke andere aanspraken zijn (al enige tijd) niet voldaan, dan kunt u een beroep doen op de loongarantieregeling.

De loongarantieregeling

Indien een onderneming failliet wordt verklaard, zal de curator over het algemeen op korte termijn de arbeidsovereenkomsten met de werknemers opzeggen. Het kan zijn dat u als werknemer nog een loonvordering heeft op uw (inmiddels) gefailleerde werkgever. In artikel 61 en artikel 64 van de Werkloosheidswet is de loongarantieregeling opgenomen. Die regeling bepaalt dat het UWV de loonvorderingen en overige aanspraken van de werknemers wier werkgever failliet is verklaard voldoet.

Voor een dergelijke uitkering dient u een aanvraag te doen bij het UWV. Veelal wordt door het UWV kort na de faillietverklaring in overleg met de curator een moment gepland waar alle werknemers tegelijk tezamen met een medewerker van het UWV deze aanvraag kunnen doen.

Grenzen uitbetaling UWV

De uitbetaling door het UWV is echter aan grenzen verbonden. Het UWV keert in beginsel uit:

  • Het loon over de 13 weken voorafgaand aan de dag van opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator én het loon over de opzegtermijn tot maximaal 6 weken.Onder ‘loon’ valt onder meer het salaris, de overwerkvergoeding, de reiskostenvergoeding en een dertiende maand voor zover deze aanspraken kunnen worden toegerekend aan de 13 weken en 6 weken-termijn.
  • Het vakantiegeld en de vakantiebijslag over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd.
  • Pensioenpremie (zowel het werkgevers- als het werknemersdeel) over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd. De pensioenpremies worden door het UWV aan de pensioenuitvoerder betaald.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid geldt per 1 januari 2016 dat de uitkering door het UWV is begrensd. Het UWV keert per dag aan loon, vakantiegeld en vakantiebijslag maximaal 150% van het maximumdagloon uit. Het maximumdagloon per 1 juli 2017 is € 207,60. Dat geldt niet voor de pensioenpremies. Voor die betalingen geldt geen plafond.

 Resterende vordering

Voor zover uw vordering niet door het UWV wordt voldaan, kunt u deze indienen bij de curator. Een loonvordering is op grond van artikel 3:288 sub e BW een preferente oftewel bevoorrechte vordering. Dat betekent dat deze voorrang heeft op een concurrente oftewel niet-bevoorrechte vorderingen. Het is echter afwachten of de curator voldoende in de boedel heeft om (een deel van) deze (resterende) vordering te kunnen doen.

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op.

Femke Postma

+
16-10-2017

ARBEIDSRECHT EN HET REGEERAKKOORD

Op 10 oktober 2017 is het regeerakkoord verschenen. In het regeerakkoord is ruim aandacht besteed aan het aanbrengen van veranderingen in het arbeidsrecht.

Het arbeidsrecht is ingrijpend gewijzigd per 1 juli 2015. Niet alle wijzigingen pakken goed uit. Met name het ontslagrecht is veel ingewikkelder geworden.

Welke plannen staan in het regeerakkoord:

Introductie van een cumulatiegrond in het ontslagrecht

De rechter kan een ontslag tot dusverre slechts op één grond baseren; na invoering van de plannen krijgt de rechter meer handvatten.

Wordt een ontslag op meerdere gronden gebaseerd dan heeft de rechter wel de mogelijkheid een extra vergoeding toe te kennen van maximaal de helft van de transitievergoeding (boven op de bestaande transitievergoeding).

Meer balans in de transitievergoeding

Een transitievergoeding is nu verschuldigd bij een dienstverband van langere duur dan twee jaar. Na invoering van de plannen krijgen werknemers vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding.

De transitievergoeding wordt verlaagd voor dienstverbanden die langer hebben geduurd dan tien jaren.

De mogelijkheid om scholingskosten op de transitievergoeding in mindering te brengen worden verruimd.

Contract voor bepaalde tijd

De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, wordt verlengd van twee naar drie jaar;

Proeftijd

Het wordt mogelijk gemaakt een langere proeftijd overeen te komen indien direct een contract voor onbepaalde tijd wordt aangeboden (verruiming van twee naar vijf maanden).

Indien een contract voor bepaalde tijd langer dan twee jaar wordt aangeboden mag deze een proeftijd bevatten van drie maanden;

Loonbetaling bij ziekte

De verplichtingen voor loonbetaling bij ziekte worden voor het MKB (tot 25 werknemers) verlicht. Op dit moment geldt een loondoorbetalingsperiode bij ziekte van twee jaar; deze wordt verkort naar een periode van één jaar.

ZZP-er

Naast deze wijzigingen worden er ook wijzigingen opgenomen ten aanzien van zelfstandigen. De wet DBA (Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties) op basis waarvan beoordeeld moet worden of er al dan niet sprake is van schijn zelfstandigheid wordt vervangen. Er wordt een zogenaamde opdrachtgeversverklaring ingevoerd. Deze verklaring geeft opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid bij inhuur van zelfstandig ondernemers. Deze verklaring wordt alleen afgegeven voor zelfstandigen aan wie meer dan het minimale ZZP tarief wordt betaald. De bandbreedte voor het minimale tarief komt waarschijnlijk te liggen tussen de € 15,– en € 18,– per uur.

Ook na invoering van de wijzigingen blijft het arbeidsrecht -en met name het ontslagrecht- ingewikkeld. Het blijft van groot belang met regelmaat functioneringsgesprekken met uw personeel te voeren en de inhoud van de gesprekken goed vast te leggen.

Alderse Baas Advocaten staat u graag bij. Voor vragen kunt u contact opnemen met de sectie Arbeidsrecht.

Jan Bijlholt

Nathalie Boonstra

+
03-10-2017

Alderse Baas Advocaten al 15 jaar lid van Netlaw

Netlaw is hèt samenwerkingsverband van zelfstandige advocatenkantoren in Nederland. Op dit moment maken circa 400 advocaten deel uit van de vereniging, verdeeld over 15 kantoren verspreid over het hele land. Er is dus altijd een Netlawkantoor in de buurt. (www.netlaw.nl/kantoren)

De Netlawkantoren werken samen op het gebied van kennisdeling, management & organisatie, marketing & communicatie en opleiding & ontwikkeling. Netlaw bezorgt de aangesloten advocaten en hun klanten de voordelen van grootschaligheid zonder de daar bij behorende nadelen.

Netlaw bestaat sinds 1990 en verbindt sinds die tijd de aangesloten kantoren in het grootste netwerk van onafhankelijke advocatenkantoren in Nederland.

Netlaw heeft zijn eigen door de Nederlandse Orde van Advocaten erkende opleidingsinstelling, de NetlawAcademy.

Kijk voor meer informatie op de site: www.netlaw.nl
null

+
26-09-2017

Alderse Baas Advocaten aanwezig op 65e editie Agrarische Schouw

Donderdag 28 september a.s. is het Jouster Merke. In park Herema State vindt voor de 65e maal de Agrarische Schouw plaats. Alderse Baas Advocaten is ook aanwezig dit jaar. U vindt ons op het Haventerrein, standnummer 421.

We spreken u graag onder het genot van een hapje en een drankje. Ook kunt u meedoen aan onze prijsvraag.

www.agarischeschouwjoure.nl

+
ADVOCATENKANTOOR ALDERSE BAAS

Wij zijn er om jou te helpen!