Nieuws en Blogs

16-07-2018

WETSVOORSTEL COMPENSATIE TRANSITIEVERGOEDING ZIEKE WERKNEMERS AANGENOMEN DOOR TWEEDE KAMER

Per 1 juli 2015 werd het arbeidsrecht ingrijpend gewijzigd. Per genoemde datum werd de transitievergoeding ingevoerd. De transitievergoeding is onder andere verschuldigd bij een beëindiging van een dienstverband na een aaneengesloten periode van arbeidsongeschiktheid van langere duur dan twee jaar. In een dergelijk geval kan het dienstverband opgezegd worden na verkregen toestemming door het UWV.

De verplichting om een transitievergoeding te moeten betalen na een lange periode van arbeidsongeschiktheid riep veel weerstand op. Het heeft ertoe geleid dat veel werkgevers het dienstverband met werknemers die langer dan twee jaar ziek zijn, niet hebben opgezegd. Het gevolg daarvan is dat er een sluimerend dienstverband blijft bestaan. Mocht de werknemer alsnog herstellen dan kan hij aanspraak maken op voortzetting van zijn dienstverband.

Op 5 juli 2018 is het wetsvoorstel compensatie transitievergoeding langdurig arbeidsongeschikte werknemers door de Tweede Kamer aangenomen. Op grond van de wettekst is het de bedoeling dat de regeling op 1 april 2020 in werking treedt. De Eerste Kamer dient het wetsvoorstel nog wel aan te nemen.

In het wetsvoorstel is vastgelegd dat de werkgever -binnen zes maanden na opzegging van een dienstverband met een arbeidsongeschikte werknemer- een aanvraag kan indienen bij het UWV om compensatie te verkrijgen van de uitbetaalde transitievergoeding.

In het wetsvoorstel is vastgelegd dat de transitievergoedingen die reeds werden betaald vanaf 1 juli 2015 en die nog zullen worden betaald tot 1 april 2020 ook in aanmerking komen voor compensatie. De aanvraag daartoe zal hoogstwaarschijnlijk binnen zes maanden na 1 april 2020 moeten worden ingediend.

Alderse Baas Advocaten houdt u op de hoogte van relevante wijzigingen in het arbeidsrecht.

Heeft u vragen met betrekking tot het beëindigen van de arbeidsverhouding met een zieke werknemer dan kunt u contact opnemen met Jan Bijlholt.

J.A.M. (Jan) Bijlholt

T. 0513-415655

M. jbijlholt@aldersebaas.nl

 

+
15-05-2018

Tweedehands auto, wel of geen (wettelijke) garantie?

Misschien heeft u het zelf wel eens meegemaakt: net een, voor u nieuwe, auto gekocht en na tien kilometer komt er rook onder de motorkap vandaan. Het voorstaande is misschien een extreem voorbeeld, maar ik word niet zelden benaderd door consumenten die een conflict hebben met een professionele autoverkoper over een gebrek aan hun tweedehands auto. Het conflict gaat vaak over een gebrek dat zich pas na de aankoop voordoet. Wanneer de consument de autoverkoper confronteert met het gebrek deelt deze vaak mede dat hij niet aansprakelijk is voor het gebrek, omdat geen garantie is overeengekomen. Daarnaast wordt door de autoverkoper vaak naar voren gebracht dat de aangekochte auto een oudere auto betreft, waarvan je nu eenmaal kan verwachten dat deze gebreken gaat vertonen naarmate hij ouder wordt.

Na de argumenten van de autoverkoper aangehoord te hebben kun je twee dingen doen. Je kunt knikken en de autoverkoper vragen het gebrek te verhelpen en jou vervolgens een rekening te sturen, dan wel het gebrek elders te laten verhelpen. Je kunt er ook voor kiezen deze blog verder te lezen om te bekijken of er andere mogelijkheden bestaan om het gebrek kosteloos te laten verhelpen.

Non-conformiteit (wettelijke garantie)

Is een professionele autoverkoper, ondanks het feit dat geen contractuele garantie overeengekomen is, toch aansprakelijk voor een gebrek aan een door hem aan jou verkochte auto?

 Naast een eventueel tussen partijen overeengekomen contractuele garantie, bestaat wettelijke garantie. Wettelijke garantie hoef je niet overeen te komen. De wet stelt verplicht dat een afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Dit is het uitgangspunt bij een overeenkomst. Maar wanneer beantwoordt de afgeleverde zaak aan de overeenkomst? Kan iedere koper dan zomaar roepen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt en dat de autoverkoper daarom het gebrek maar moet verhelpen?

De zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de autoverkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Maar wat mag de koper dan op basis van de overeenkomst verwachten?

De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. In geval van een tweedehands auto mag de koper bijvoorbeeld verwachten dat de wielen van de auto kunnen rollen, dat de motor en de versnellingsbak de auto kunnen voorttrekken en dat het dak van de auto de bestuurder beschermt tegen de elementen.

Maar wat nu als de auto niet de eigenschappen bezit voor normaal gebruik?

De meeste autoverkopers zijn vaak van mening dat gebreken aan de pas aangekochte auto tot het risico van de koper behoren, immers een tweedehands auto is nu eenmaal niet nieuw.

De koper van een tweedehands auto weet dat de door hem/haar aangekochte auto niet nieuw is, maar mag- zoals ik eerder al schreef- verwachten dat de auto de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn.

Welke mogelijkheden heb je als je een gebrek aan jouw pas aangekochte auto ontdekt? Allereerst adviseer ik je de autoverkoper te bellen en hem te confronteren met het gebrek. De mogelijkheid bestaat dat de autoverkoper aan de hand van jouw telefonisch contact toezegt het gebrek kosteloos te herstellen. Let op! Deze toezegging moet bij voorkeur schriftelijk gebeuren, zodat je kunt bewijzen dat je deze afspraak gemaakt hebt.

Als de autoverkoper het gebrek niet kosteloos wil verhelpen, zend je de autoverkoper een ingebrekestelling. Dit is een korte e-mail/brief waarin je kort uitlegt wat de situatie is en welk gebrek de auto vertoont. Tot slot vermeld je wat je precies wilt van de autoverkoper. In de meeste gevallen wil je dat de autoverkoper het gebrek kosteloos herstelt. Daarnaast kun je in sommige gevallen de overeenkomst (laten) ontbinden, echter de wet stelt aan ontbinding aanvullende eisen. In het bestek van deze blog zal ik deze aanvullende eisen niet bespreken.

Naast jouw (hoofd)vordering kun je ook nog schadevergoeding vorderen van de autoverkoper. Deze schade kan bijvoorbeeld gelegen zijn in de kosten voor de vaststelling van het gebrek door een expert of in de kosten voor transport.

Bewijslast

Bij een overeenkomst tussen een consument en een professionele autoverkoper is sprake van een consumentenkoop. Bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien het gebrek aan de auto zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart.

Als ik dus een oudere auto koop waarvan de motor binnen zes maanden na aankoop een gebrek vertoont, wordt vermoed dat de auto al bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Het gevolg is dat de professionele autoverkoper moet bewijzen dat de auto bij aflevering wel aan de overeenkomst beantwoordde.

Let op: het moet wel gaan om een gebrek/eigenschap dat normaal gebruik niet meer mogelijk maakt.  Een kapotte ruitenwisser of een kapot lampje voldoet niet aan dit criterium. Dit geldt weer wel als de autoverkoper bij verkoop heeft medegedeeld dat de ruitenwisser en het lampje pas vernieuwd zijn.

Wat nu als het gebrek aan de auto zich openbaart na zes maanden na aankoop? In dat geval kan de consument ook een beroep doen op non-conformiteit. Wel dient de consument dan zelf te bewijzen dat de auto bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Dit kan voor de consument een bewijsprobleem opleveren.

Conclusie

Ook wanneer in de koopovereenkomst geen garantie is overeengekomen kan een consument een beroep doen op non-conformiteit. Het is van belang dat de auto niet langer de eigenschappen bezit die nodig zijn voor normaal gebruik.

Je hebt als consument meer rechten dan je in eerste instantie denkt. Ook bij tweedehands auto’s.

 Vragen?

Mocht u vragen hebben over een gebrek aan (bijvoorbeeld) uw auto dan toets ik uiteraard graag of een beroep op non-conformiteit in uw geval haalbaar is en welke stappen u vervolgens moet nemen. U kunt daarvoor vrijblijvend contact met mij opnemen.

Mr. P.J. Hiemstra

+
08-05-2018

AVG

Het kan bijna niet anders of u heeft er de laatste tijd wel iets van gemerkt. Vette krantenkoppen en schreeuwende titels in advertenties of in radiospotjes over de AVG. Als ondernemer of bestuurder bent u waarschijnlijk al druk genoeg met allerlei andere zaken en dan moet u ook nog eens aan de slag met de AVG, want doet u dat niet, dan krijgt u te maken met torenhoge boetes, zo wordt u verzekerd. Maar wat is nu eigenlijk die AVG en waar moet u beginnen?

Over de AVG
De Algemene Verordening Gegevensbescherming, kortweg AVG, is de opvolger van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en heeft tot doel de bescherming van de (privacy) gegevens van natuurlijke personen en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Europese Unie te waarborgen. De AVG is vanaf 25 mei 2018 rechtstreeks van toepassing in alle lidstaten van de Europese Unie. Dat betekent dan ook dat iedere onderneming, maar bijvoorbeeld ook verenigingen (sportclubs), stichtingen, verenigingen van eigenaren en overheidsinstanties, de processen en bedrijfsvoering op uiterlijk 25 mei 2018 in overeenstemming dient te hebben gebracht met deze nieuwe regelgeving. Om de naleving van de regelgeving af te dwingen, kan de Autoriteit Persoonsgegevens (de Nederlandse privacytoezichthouder), zoals aangehaald, forse boetes opleggen.

Wat moet ik dan doen?
De AVG gaat in de kern over de verwerking van persoonsgegevens. Het begrip ‘verwerking’ is dusdanig ruim opgezet, zodat praktisch iedere organisatie die te maken heeft met persoonsgegevens die herleidbaar zijn naar een natuurlijk levende persoon, al persoonsgegevens verwerkt. Mocht u geen persoonsgegevens verwerken, dan is de AVG niet van toepassing op uw verwerking.

Ik verwerk persoonsgegevens
Onder de AVG bent u onder meer verplicht om een verwerkingsregister op te stellen. Daarin moet worden opgenomen welke gegevens worden verwerkt, voor welk doel, waar en hoe lang u ze opslaat en of u ze eventueel met derden deelt. Zodra de betrokkenen om inzage vragen heeft u het register nodig en kunt u de gegevens bijvoorbeeld wijzigen of corrigeren.

Het is van belang om vast te stellen of u een ‘verwerkingsverantwoordelijke’ bent of wellicht  een ‘verwerker’. Bent u degene die het doel en de middelen van de verwerking van de gegevens vaststelt, dan bent u een ‘verwerkingsverantwoordelijke’. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van de AVG en moet ook kunnen aantonen dat de verwerking van persoonsgegevens aan de AVG voldoet.

Oefent u feitelijk gezien geen invloed uit over de verwerking van de persoonsgegevens en bepaalt u dus niet het doel en de middelen voor de verwerking, dan bent u zeer waarschijnlijk aan te merken als ‘verwerker’ die ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt. In dat geval zal er mogelijk een verwerkersovereenkomst moeten worden opgesteld.

Hulp nodig?
Met de komst van de AVG kan er veel op u afkomen. Mocht u algemene vragen hebben over de AVG, hulp nodig hebben bij het uitvoeren van een analyse of bij het opstellen of toetsen van (bijvoorbeeld) een verwerkingsregister of een verwerkersovereenkomst, dan kunt u contact opnemen met ons kantoor.

Neem contact op met mr. J.H. (Jaap) van der Meulen of mr. E. (Egbert) Douma.

+
12-04-2018

Vennootschap in nood, schending van de bancaire zorgplicht bij het verstrekken van een (nood)krediet

 

Naar het zich laat aanzien is de financiële crisis van 2008 inmiddels grotendeels achter de rug. Er wordt echter door financiële analisten gewaarschuwd dat we anno 2018 in de grootste zeepbel ooit leven die enkel nog niet uiteen is gespat door de interventie van de centrale banken en overheden.[i] Of er een nieuwe financiële crisis zal volgen  en wat de omvang daarvan gaat zijn zullen we moeten afwachten, maar ondenkbaar is het zeker niet.

Tijdens de recente financiële crisis is er door in zwaar weer verkerende ondernemingen in veel gevallen een beroep gedaan op de kredietverstrekkende banken waarbij om een aanvullend krediet werd verzocht. Dit krediet – ook wel noodkrediet genoemd – was vaak een absolute noodzaak om de onderneming van de ondergang te behoeden.

Hoever mag een bank echter gaan bij het eisen van verregaande voorwaarden (aanvullende zekerheden) die worden verbonden aan het verstrekken van een dergelijk noodkrediet aan een in financiële moeilijkheden verkerende klant?

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 27 maart 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:2893)[ii] een zeer lezenswaardig arrest gewezen waarin het hof onder meer is ingegaan op de schending van de contractuele bancaire zorgplicht. Op dat onderdeel van het arrest ga ik nader in.

Casus

 

De zaak heeft betrekking op de financiering van Bouwbedrijf Midreth. Rabobank, zijnde de huisbankier van Midreth voor de bouw- en vastgoed activiteiten, was in de laatste fase  voordat Midreth in 2011 failliet werd verklaard, bereid om een noodkrediet te verstrekken. De bank eiste echter wel, bovenop een al forse rente, de nodige aanvullende zekerheden in ruil voor de financiering. Voor het noodkrediet van € 7.500.000,- bedong de bank een fee voor zichzelf van € 2.000.000,-.

Nadat er vervolgens wederom liquiditeitsproblemen ontstonden, heeft de bank tezamen met andere financiers nog eens een aanvullend krediet verstrekt van € 20.000.000,-. Daarbij werd een, volgens het gerechtshof excessieve, fee van eveneens € 20.000.000,- bedongen, waarvan een kleine 30% ten goede kwam aan Rabobank. Verder werd er onder meer een verhoging van de borgtocht van de bestuurder in privé bedongen naar € 5.000.000,- (was € 1.000.000,-) en diende 60% van de aandelen te worden overgedragen voor € 1,- waardoor Rabobank de grootste aandeelhouder zou worden.

De aanvullende kredieten hebben Midreth echter niet mogen baten. Op 14 februari 2011 is het bouwbedrijf failliet verklaard en heeft Rabobank haar zekerheden uitgewonnen. De aandeelhouder en de bestuurder hebben Rabobank vervolgens aangesproken en onder meer gesteld dat de bank de contractuele bancaire zorgplicht heeft geschonden.

Bancaire zorgplicht

Een bank dient bij haar dienstverlening (ook) rekening te houden met de belangen van haar klant en heeft in dat kader de bancaire zorgplicht in acht te nemen. Het gerechtshof verwijst daarbij naar artikel 2 lid 1 van de Algemene Bankvoorwaarden (ABV 2009) die bepalen dat de bank bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht dient te nemen en daarbij naar haar beste vermogen rekening dient te houden met de belangen van de cliënt. De vraag is wanneer de bank haar bancaire zorgplicht schendt.

Oordeel gerechtshof

Het gerechtshof komt ten aanzien van de bancaire zorgplicht tot het oordeel dat de door de bank bedongen fees, de verplichting om de aandelen voor € 1,– aan haar over te dragen en de verhoging van de privéborgtocht, hebben geleid tot onevenredig groot voordeel voor Rabobank. Daardoor heeft Rabobank in strijd gehandeld met haar contractuele bancaire zorgplicht. De door de bank bedongen fees waren zeer nadelig voor het bedrijf en haar aandeelhouders die volledig afhankelijk waren van Rabobank als zijnde de huisbankier met de daarbij behorende zekerheden, zodat zij in een dwangpositie verkeerden.

Het hof heeft Rabobank veroordeeld tot het vergoeden van de schade van de aandeelhouder en de bestuurder. De hoogte van die schade dient echter nader te worden vastgesteld in een zogeheten ‘schadestaatprocedure’. Het gerechtshof heeft daarbij aangegeven dat de schade van de bestuurder en de aandeelhouder niet meer kan worden opgeheven door een eventuele schadevergoeding te betalen door Rabobank aan Midreth, dat bedrijf is immers gefailleerd, zodat de ontstane schade definitief ten laste van het vermogen van de aandeelhouder en de bestuurder is gekomen. De bank dient die schade volgens het gerechtshof te vergoeden.

Gevolgen kredietverstrekking

Het arrest van het gerechtshof maakt duidelijk dat het stellen van onredelijke eisen aan het verstrekken van (nood)kredieten ertoe kan leiden dat de bank de bancaire zorgplicht heeft geschonden. Vanwege de financiële noodtoestand waarin de ondernemers veelal verkeren op het moment dat zij akkoord gaan met de voorwaarden die door de bank worden gesteld aan het verstrekken van een noodkrediet, stemmen zij vaak toch in met de eisen van de bank.

Dat het gerechtshof in deze zaak heeft geoordeeld dat de bank schadeplichtig is, lijkt aan te geven dat er in ieder geval paal en perk worden gesteld aan het maken van misbruik van de positie waarin de noodlijdende onderneming verkeert op het moment waarop het noodkrediet moet worden verstrekt. Of de keerzijde van dit arrest is dat er door banken en andere kredietverstrekkers terughoudender zal worden omgegaan met het verstrekken van dergelijke noodkredieten, zal de (nabije?) toekomst moeten uitwijzen.

Meer informatie

Wilt u een juridisch advies over de voorwaarden die de bank heeft verbonden aan het verstrekken van een (nood)krediet of heeft u andere vragen op het gebied van financiering en zekerheden, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met ons kantoor.

Mr. E. (Egbert) Douma

[i] https://jdreport.com/2018-wordt-het-jaar-van-de-grootste-financiele-crisis-ooit

[ii] https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHARL:2018:2893

+
30-03-2018

Alderse Baas heeft inmiddels twee MfN-registermediators in huis

Jan Bijlholt heeft op 16 maart 2018 de  opleiding tot MfN registermediator met succes afgerond.

Jan Bijlholt zal zich als mediator voornamelijk toeleggen op zakelijke geschillen, conflicten binnen vennootschappen en maatschappen en arbeidsgeschillen.

Naast Jan Bijlholt is Esther Jongsma al jaren actief als MfN registermediator. Esther is deskundig mediator voor familierechtelijke kwesties.

Alderse Baas Advocaten beschikt thans derhalve over twee zeer ervaren advocaten die tevens als registermediators actief zijn.

Lees meer over mediation op onze website.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan Bijlholt (jbijlholt@aldersebaas.nl) of met Esther Jongsma (ejongsma@aldersebaas.nl).

Esther Jongsma

+
16-03-2018

Verboden cameratoezicht op uw bedrijf?

Recentelijk is in het nieuws gekomen dat in een aantal kleedkamers van sauna’s verborgen camera’s hebben gehangen welke opnames hebben gemaakt van zich daar bevindende personen. Dit heeft terecht tot veel opschudding geleid. Hoe zit het eigenlijk met de camera’s op de werkvloer?

Spaanse zaak die invloed heeft op Nederlands recht

Op 9 januari 2018 heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een uitspraak gedaan over verborgen camera’s op de werkplek. Het betreft een Spaanse zaak waarbij een supermarkteigenaar constateerde dat er gedurende een langere periode een kasverschil optrad van enkele tienduizenden euro’s.

De werkgever heeft na deze ontdekking zichtbare en onzichtbare camera’s opgehangen. De zichtbare camera’s werden gericht op de in- en uitgang van de supermarkt. De verborgen camera’s werden gericht op de kassa’s.

De werkgever heeft de werknemers geïnformeerd over de zichtbare camera’s maar heeft geen mededeling gedaan van de onzichtbare camera’s.

Na het bekijken van de beelden bleek dat met de onzichtbare camera’s opnames waren gemaakt waaruit naar voren kwam dat werknemers en klanten gezamenlijk verantwoordelijk waren voor het verduisteren van gelden. Hierop ontsloeg de werkgever de betreffende werknemers. In de door de werkgever gevoerde ontslagprocedures werden de beelden van de onzichtbare camera’s gebruikt. Over dit onderwerp zijn de werknemers naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens gestapt.

Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens oordeelt dat Spanje de regels van artikel 8 EVRM  niet goed heeft toegepast. Hierdoor kon de Spaanse rechter het videomateriaal wel gebruiken in de procedure terwijl dit conform artikel 8 EVRM feitelijk niet mogelijk was. Om die reden is Spanje veroordeelt om aan de werknemers € 4.000,– schadevergoeding te betalen en een vergoeding voor de proceskosten.

Hoe zit het dan in Nederland?

Ook Nederlandse rechters gaan vaak akkoord met ontbindingsverzoeken welke zijn gebaseerd op verborgen camerabeelden. In Nederland dient een werkgever rekening te houden met een aantal vereisten, wil de inzet van verborgen camera’s niet onrechtmatig of zelfs strafbaar zijn. Ook op de werkplek dient een zekere mate van privacy gerespecteerd te worden. Om hiervoor zorg te dragen, dient de inzet van een verborgen camera te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Met andere woorden: de inzet van de verborgen camera moet evenredig zijn aan het op te sporen wangedrag en de inzet moet strikt noodzakelijk zijn om dit wangedrag op te kunnen sporen. Tevens dient de inbreuk op het recht van privacy zoveel mogelijk te worden voorkomen.

Indien daarover enige discussie ontstaat, zal het aan de werkgever zijn om de rechtvaardiging daarvan aan te tonen. Indien komt vast te staan dat niet is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit kan de rechter oordelen dat het gaat om onrechtmatig verkregen bewijs waarna de rechter het bewijs buiten beschouwing zal laten.

AVG

Vanaf 25 mei 2018 wordt de Wet bescherming persoonsgegevens vervangen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Ten gevolge van deze wijziging zullen privégegevens van onder andere werknemers op een correcte wijze verzameld en vastgelegd moeten worden.

Met betrekking tot het cameratoezicht zal de lijn steeds strakker worden getrokken. Is het nodig verborgen camera’s op te hangen of is de methode ook met een ander minder verstrekkend middel te bereiken? De plek van het ophangen van de camera’s zal belangrijk zijn. Daarbij moet gedacht worden aan geen camera’s in kleedruimtes, douchegelegenheden of toiletten en dergelijke. De volledige uitwerking van de AVG op het cameratoezicht op de werkvloer is nog niet volledig uitgekristalliseerd maar het is verstandig om u goed te verdiepen in de mogelijk- en onmogelijkheden van het verborgen cameratoezicht voordat u eraan begint. De boetes die in het kader van de AVG kunnen worden uitgedeeld, zijn erg hoog!

Mocht u een concrete situatie willen bespreken, dan kunt u altijd even contact met ons opnemen.

Mr. N.N. (Nathalie) Boonstra

Volg ook onze pagina op linked in: https://nl.linkedin.com/company/alderse-baas

+
12-03-2018

Gevoelige gegevens

Op dinsdag 11 april 1944 werd bij een precisiebombardement van de Engelse luchtmacht het gebouw ‘Kleykamp’ in Den Haag in puin gelegd. Dat gebeurde op verzoek van het Nederlands verzet en in overleg met de Nederlandse regering in Londen. Doel van het bombardement was de vernietiging van de verzameling ‘ontvangstbewijzen-persoonsbewijs’ welke daar (centraal voor de gehele Nederlandse bevolking) werd bijgehouden door de ‘Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters’.

Die ‘ontvangstbewijzen-persoonsbewijs’ waren voor de Duitse bezetter het belangrijkste middel om de bevolking onder controle te houden. Wie een vals persoonsbewijs had (en er waren veel mensen die heel goede redenen hadden voor het bezit van een vals persoonsbewijs) waarvan geen ‘ontvangstbewijs-persoonsbewijs’ bij Rijksinspectie in het gebouw ‘Kleykamp’ aanwezig was, zat bij een aanhouding onmiddellijk klem.

Als gevolg van de luchtaanval ging 2/5 deel van de collectie ‘ontvangstbewijzen-persoonsbewijs’ in rook op. En bovendien, vrijwel alle door de Joodse Nederlanders ingeleverde aanmeldformulieren – maar daarvan had de bezetter elders een kopie.

Het gevolg was dat de positie van onderduikers en illegale werkers enorm werd verbeterd of, beter gezegd: een stuk minder benard werd. In die zin kwam, kun je zeggen, de aanval eigenlijk 2,5 jaar te laat.

Een navrant detail: het bombardement werd bewust op een werkdag, tijdens werktijd, uitgevoerd. Dan immers, zo werd geredeneerd, zouden de meeste kaartenbakken ‘in behandeling zijn’ en open liggen.

Als gevolg van de keuze van dit tijdstip kwamen 59 in het gebouw aanwezige ambtenaren om het leven. Verscheidenen van hen waren betrokken bij het verzet – zij voorzagen de valse persoonsbewijzen van valse ontvangstbewijzen-persoonsbewijs (bron: De Jong, ‘Het Koninkrijk’, deel 7, pagina 769 e.v.).

***

Gegevensbescherming

Gegevens over personen zijn onschatbaar. In tijden van oorlog wordt er met bloed voor betaald.

Die gegevens moeten dus beschermd worden. Maar hoe? En vooral: tegen wie?

Er is met die bescherming in onze moderne westerse wereld (meer precies: in de Europese landen) iets merkwaardigs aan de hand. Aan de ene kant is er strenge privacywetgeving, aan de andere kant verzamelt de overheid zo’n beetje alles wat maar geweten kan worden over haar burgers.

AVG

Op 25 mei 2018 wordt ingevoerd de ‘Algemene Verordening Gegevensbescherming’ (AVG). Deze verordening is ‘Europees recht’ – hij wordt gegeven door de Europese Commissie en is rechtstreeks gericht aan ieder in de Europese lidstaten – de Nederlandse wetgever komt er niet aan te pas.

Deze AVG regelt tot op bijna griezelig detailniveau de plichten van iedere organisatie, waaronder overheidsinstellingen, die gegevens over personen beheert en bewerkt. De ‘betrokkene’, dat is de persoon wiens gegevens bewerkt worden, heeft vele rechten, waaronder het ‘recht op vergetelheid’. Dat ‘recht op vergetelheid’ houdt in dat de gegevensbewerker alle gegevens moet wissen als ze zonder verder doel bij die bewerker aanwezig zijn.

Tegelijk geldt dat de uitvoering van wettelijke taken het bezit van persoonsgegevens rechtvaardigt. Het ‘recht op vergetelheid’ heeft tegenover de overheid dus slechts een heel betrekkelijke waarde.

Gelijktijdig vindt dezer dagen het ‘raadgevend’ referendum plaats over de Sleepwet – een wet waarmee de overheid vergaand bij ons, haar burgers, naar binnen kan kijken. Verdedigers van die Sleepwet hanteren het buitengewoon slechte argument dat ‘goedwillenden niets te verbergen hebben’. Tegenover een goedwillende overheid misschien niet, maar voor de voorbeelden van kwaadwillende overheden hoef je niet ver in de geschiedenis te zoeken. En voor wat betreft de huidige tijd: Syrië is slechts op een dagreis afstand.

Onze overheid, nemen we aan, is goedwillend en beseft het belang van bescherming van persoonsgegevens. Tegelijk gaat ze buitengewoon ver in het zelf verzamelen en bewerken van gegevens over personen. Bij haar zal het, nemen we maar aan, in goede handen zijn – maar ik houd mijn hart vast wanneer het tij keert en een kwaadwillende overheid haar plaats inneemt. De digitale techniek heeft duizelingwekkende mogelijkheden aangeboord en niemand mag de illusie hebben dat die mogelijkheden ongebruikt blijven. Een precisiebombardement volstaat niet meer…

Zie ook: https://anderetijden.nl/aflevering/299/Kleykamp

Mr. J.H. (Jaap) van der Meulen

Volg ook onze pagina op linked in: https://nl.linkedin.com/company/alderse-baas

+
02-02-2018

Alderse Baas Advocaten heeft per 1 februari jl. het team versterkt met Egbert Douma

Alderse Baas Advocaten viert dit jaar haar 40-jarig bestaan en weet zich vanaf 1 februari 2018 versterkt met Egbert Douma als nieuwe advocaat.

Egbert is in 2008 afgestudeerd aan de Rijksuniversiteit Groningen en is sindsdien werkzaam als advocaat. De afgelopen 10 jaar heeft hij gewerkt voor een groot advocatenkantoor in Midden-Nederland.

Het advocatenteam van Alderse Baas Advocaten bestaat met de komst van Egbert weer uit 9 advocaten.

Egbert is een bevlogen advocaat met ruime ervaring in de advies- en procesadvocaat met de nadruk op vastgoed, faillissementsrecht en ondernemingsrecht. Hij is naast zijn werkzaamheden als advocaat de  afgelopen jaren ook veelvuldig aangesteld als curator in Midden-Nederland.

Egbert is lid van de Vereniging voor Bouwrecht-Advocaten (VBR-A) en heeft de Postacademische Leerging Insolventierecht aan de Rijksuniversiteit Groningen gevolgd.

Met de komst van Egbert verstevigt Alderse Baas Advocaten haar positie in de regio. Met recht kan gezegd worden dat u als ondernemer, particulier of instantie de beste advocaat voor uw zaak bij ons kunt vinden.

Egbert is een echte voetballiefhebber en is een Fries in hart en nieren. Daarnaast is Egbert maatschappelijk betrokken en is hij secretaris bij de Ronde Tafel te Lemmer.

U wordt van harte uitgenodigd om een kennismakingsgesprek met Egbert te hebben. U kunt daartoe contact opnemen met ons kantoor.

T. 0513-415655 of info@aldersebaas.nl

Volg ook onze pagina op linked in: https://nl.linkedin.com/company/alderse-baas

+
11-01-2018

Wordt u bij het uitvoeren van werkzaamheden wel eens geholpen door vrijwilligers?

Indien u weleens gebruik maakt van vrijwilligers bij het uitvoeren van bedrijfs- of ondernemingsactiviteiten, dient u zich er bewust van te zijn dat u verantwoordelijk bent voor de veiligheid van deze vrijwilligers. Dit volgt uit een arrest dat de Hoge Raad onlangs wees.

In de wet is opgenomen dat een werkgever verplicht is dusdanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Met andere woorden: u moet er redelijkerwijs alles aan gedaan hebben om te voorkomen dat een medewerker een bedrijfsongeval overkomt.

Alhoewel in dit wetsartikel wordt gesproken over werknemer en werkgever, heeft de Hoge Raad nu bepaald dat het artikel ook van toepassing is op een persoon die buiten dienstbetrekking werkzaamheden verricht indien deze persoon afhankelijk is van degene voor wie hij die werkzaamheden verricht ten aanzien van zijn veiligheid. Onder deze bepaling zouden dus ook vrijwilligers kunnen vallen. Of dit het geval is, zal aan de hand van omstandigheden van het geval bepaald moeten worden, waarbij onder meer van belang zal zijn:

  • de feitelijke verhouding tussen de vrijwilliger en de aard van de verrichte werkzaamheden.

Bijvoorbeeld: indien de vrijwilliger wordt gevraagd op het dak te klimmen om dakpannen recht te leggen dan zal ‘de werkgever’ eerder aansprakelijk zijn dan wanneer de vrijwilliger wordt gevraagd een brief op de brievenbus te doen waarbij hij schade oploopt omdat hij struikelt over een loslopende hond bij de brievenbus;

  • de mate waarin ‘de werkgever’ (al dan niet door middel van hulppersonen) invloed heeft op de werkomstandigheden van de vrijwilliger en op de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s.

Bijvoorbeeld: als de vrijwilliger iets ophaalt voor ‘de werkgever’ op een bouwplaats van een derde en de vrijwilliger wordt aangereden door een kraan, dan heeft ‘de werkgever’ geen invloed gehad op de werkomstandigheden op die bouwplaats en zal hij in beginsel niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het letsel van de vrijwilliger. Dit zou anders liggen indien het een bouwplaats van ‘de werkgever’ zelf zou betreffen.

Indien u vrijwilligers werkzaamheden laat uitvoeren, vergewis u er dan van dat u voldoende voorzorgsmaatregelen heeft getroffen en aanwijzingen heeft gegeven om eventuele veiligheidsrisico’s te ondervangen. Het heeft de voorkeur om vrijwilligers qua voorzorgsmaatregelen gelijk te stellen met de ‘gewone’ medewerkers.

N.N. (Nathalie) Boonstra.

+
17-12-2017

Wettelijke indexering kinder- en partneralimentatie per januari 2018

Ook komend jaar dienen alimentatiegerechtigden en alimentatieplichtigen weer rekening te houden met de wettelijke indexering van zowel de kinder-als partneralimentatie.

Per 1 januari 2018 bedraagt het indexeringspercentage 1,5%. Dit betekent dat alle alimentatiebedragen moeten worden verhoogd met 1,5%, tenzij u bij overeenkomst de indexering heeft uitgesloten of in een rechterlijke uitspraak de rechter heeft bepaald dat de indexering is uitgesloten.

De alimentatie moet voor de eerste van iedere maand betaald worden, zodat u in december 2017 bij de betalingen voor januari 2018 al rekening moet houden met het indexeringspercentage. Op deze manier voorkomt u dat er achterstanden ontstaan.

Beperkte gemeenschap van goederen

 Per 1 januari 2018 treedt de Wet invoering beperkte gemeenschap van goederen in werking. In een aantal eerdere blogs is over de gevolgen van de wet al het nodige gezegd. Deze blogs kunt u terug vinden op deze website.

Wetsvoorstel herziening partneralimentatie

 Regelmatig krijg ik vragen van cliënten over partneralimentatie. Een van de vragen die veel wordt gesteld is wanneer de wet de termijn voor het betalen van partneralimentatie verkort.

In 2015 is een wetsvoorstel ingediend voor de herziening van de partneralimentatie. Het voorstel heeft een tijd stilgelegen. Op 14 maart 2017 is een nota van wijziging ingediend bij de Tweede Kamer.  In het wetsvoorstel is de grondslag voor de partneralimentatie niet gewijzigd

Een aantal voorgestelde wijzigingen op een rij.

In het wetsvoorstel wordt de duur van de partneralimentatie gewijzigd. Nu is de duur van de partneralimenatie nog 12 jaar, maar in het voorstel is zou de partneralimentatie van rechtswege eindigen na het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaren.

Indien het huwelijk echter langer duurt dan vijftien jaren en op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding de leeftijd van de echtgenoot die recht heeft op partneralimentatie, ten

hoogste tien jaren lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd dan eindigt de verplichting tot partneralimentatie niet eerder dan op het tijdstip, waarop die echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Ook wordt rekening gehouden in het voorstel met kinderen. De verplichting tot betaling van partneralimentatie zal ook niet eerder eindigen dan op het tijdstip waarop de kinderen van de echtgenoten de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt.

Maar ook met de ouderen is verder rekening gehouden, want ook eindigt in het voorstel de verplichting tot betaling van partneralimentatie van rechtswege op het tijdstip waarop de alimentatieplichtige echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Een veel voorkomende situatie is dat de alimentatiegerechtigde een nieuwe partner krijgt. In sommige gevallen gaat de alimentatiegerechtigde samenwonen en vervalt de partneralimentatie. In veel gevallen gaat de alimentatiegerechtigde niet samenwonen, omdat deze niet wil dat de partneralimentatie vervalt. Ook zijn er hierdoor veel discussies of er sprake is van een samenwoning als ware gehuwd.

In convenanten wordt door echtgenoten ook wel opgenomen dat bij samenwoning van de alimentatiegerechtigde met een nieuwe partner, niet gelijk definief de partneralimentatie zal vervallen. Er wordt een soort proefperiode opgenomen. Mocht de samenwoning namelijk binnen een bepaalde (overeengekomen) termijn eindigen, dan herleeft de verplichting tot betaling van de partneralimentatie.

In het wetsvoorstel is opgenomen dat de verplichting tot partneralimentatie zal herleven, als de alimentatiegerechtigde voor de aanvang van de samenwoning met een nieuwe partner, de alimentatieplichtige schriftelijk in kennis stelt van het voornemen om te gaan samenwonen met een nieuwe partner en tegelijk mededeeld wanneer de samenwoning zal beginnen, en de samenwoning binnen een periode van zes maanden eindigt.

Wellicht dat de alimentatiegerechtigde eerder de stap durft te nemen om met een nieuwe partner te gaan samenwonen.

Verder is voorgesteld om de berekening van de partneralimentatie te gaan vereenvoudigen.

Zoals gezegd is dit nog een wetsvoorstel. Of het wetsvoorstel zal worden aangenomen of dat er nog meer wijzigingen komen, is onduidelijk. Voor nu zullen we dan ook de huidige wettelijke regels moeten blijven toepassen!

Mr. E.J. (Esther) Jongsma

Esther Jongsma

 

+
ADVOCATENKANTOOR ALDERSE BAAS

Wij zijn er om jou te helpen!

Door deze website te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten